In het begin van de jaren zeventig ging het muzikale roer van het fanfareschip langzaam om en probeerde men een wat andere koers te varen. Concours deelname ging voorlopig van de agenda en er volgde een periode van opbouw. Een aantal muzikanten van het eerste uur verdwenen langzamerhand uit de bezetting, en er kwam veel aandacht voor jeugdig talent.

Er werden jaarlijkse solisten avonden georganiseerd voor familie en kennissen. Hierbij werd als jury uitgenodigd dhr. Milek, solo hoornist bij het toen nog bestaande Frysk Orkest. Alle deelnemers kregen van hem altijd stimulerende adviezen.

Het bestuur werd bijzonder actief en de vereniging kreeg flinke financiële injecties. Vooral door het opstarten van de oud papier acties, en het werven van nieuwe donateurs. Ook werd er ieder jaar wel een keer met koek, of soms met diepvries kippen of goudhaantjes in Joure gevent. De drumband was inmiddels met stille trom vertrokken, maar er werd nog wel gemarcheerd. Met feestdagen zoals 30 april en 5 mei kwam meestal de drumband uit Oppenhuizen voorop lopen.

In 1974 kreeg de vereniging de wind weer wat in de zeilen, om maar eens een bekende uitdrukking uit Skarsterlân te gebruiken. De fanfare bezetting groeide gestaag en de grotere financiële armslag werd vooral besteed aan uitbreiding en vernieuwen van het instrumentarium. Er werd veel opgetreden bij diverse festiviteiten in Joure, door de gehele vereniging, in groepjes of  als solist, afhankelijk van de gelegenheid. Ook aan kerkdiensten verleenden Fanfare muzikanten vaak medewerking. Dirigent v/d Wal kreeg muzikaal gezien wat meer greep op de vereniging en waagde zich weer eens aan de uitdaging van een concours. In de laagste afdeling werd het nu een 1ste prijs en het is tot vandaag de dag ook nooit weer een 2de prijs geworden. Jarenlang is er na het deelnemen aan een concours een feest of spelavond georganiseerd voor leden en familie, wat vooral de teamgeest in de vereniging bevorderde.

Tijdens de jaarlijkse ledenvergadering in 1975 werd het steeds duidelijker dat de repetitie niet meer op zaterdagavond kon blijven, er moest zo langzamerhand naar een andere avond worden omgeschakeld. Probleem daarbij was de repetitie ruimte, hiervoor had men iedere zaterdagavond de beschikking over “De Poort” achter de oude Gereformeerde kerk aan de Harddraversweg. Op een andere avond kon men over deze zaal niet wekelijks beschikken. Bijkomend probleem voor enkele muzikanten was ook nog de ploegendienst bij Douwe Egberts. Er werd tijdens de vergadering nog wel een besluit genomen dat tijdens de repetities niet meer mocht worden gerookt, alleen in de pauze.

In 1975 werd wat later bleek één van de meest succesvolle initiatieven van de vereniging opgestart namelijk het jaarlijkse jeugd-(studie)weekend.

Een jaar later begon de Jouster Fanfare met pogingen om serieus te oefenen in het marslopen.

Er kwam weer eens ter sprake om maar een eigen drumband op te richten, de trommels lagen nog op zolder.

Na de zomervakantie ging de repetitie definitief naar de vrijdagavond, en had men alternatieve locaties wanneer “De Poort” bezet was. De eerste vrijdagavond repetitie was in het gebouw op de Nutsbaan.

Omdat in 1977 de oud papier prijs erg laag was zocht en vond het bestuur een opslagruimte en wachtte men met verkoop tot de prijs weer wat gestegen was.

Muzikaal ging het nog steeds crescendo de vereniging was inmiddels opgeklommen naar de afdeling “Uitmuntendheid” bij concoursen. Om dit te bereiken kregen de muzikanten veelal eigentijdse muziek op de lessenaars, en dat bracht soms weer de nodige discussie teweeg. De Jouster Fanfare kende geen muziekcommissie. De muziekkeuze werd gemaakt door de dirigent. Soms nog wel in overleg met muzikanten, maar altijd stond niveau verbetering centraal, ook bij het selecteren van muziek. Bijkomend voordeel van dit systeem is een zeer gemotiveerde en gedreven dirigent om de muziek goed in te studeren en uit te voeren. De doelstelling van vereniging en dirigent was uiteindelijk het bereiken van de hoge vaandel afdeling.

De oprichting van een eigen drumband werd in 1977 weer officieel, maar de groep mocht volgens het bestuur niet een soort “stiefkindje” worden van de vereniging. Na dit besluit ontstonden er gelijk plannen om een blaaskapel in het leven te roepen, dit is er echter nooit van gekomen. Wel is er een paar keer binnen de vereniging een soort boerenkapel gevormd onder de naam “brêgewippers” voor het opluisteren van enkele festiviteiten.

Sinds 1978 moet iedere instantie die subsidie ontvangt rechtsgeldig zijn. Dit betekende voor de vereniging dat er officiële statuten moesten komen en een inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Het bestuur werd uitgebreid van zes naar zeven personen. Voor de repetities was nu een vaste locatie gevonden in een lokaal van de Bonifatiusschool. Van Douwe Egberts werd een gift van tienduizend gulden ontvangen in verband met haar 225 jarig bestaan. Van dit geld werden gelijk vijf nieuwe instrumenten aangeschaft.

Voor leden en donateurs verscheen er een aantal keren per jaar een soort clubboekje met informatie over de vereniging en met advertenties van sympathiserende Jouster zaken en bedrijven. Het donateurbestand was gegroeid naar een aantal van 616, maar desondanks was er voor een concert van de muziekvereniging meestal weinig belangstelling.

Was in de beginjaren de oprichting van de vereniging omstreden, nu werd vooral het product de muziek bekritiseerd. Steeds meer nieuwe en moderne composities voor fanfareorkest werden gespeeld, waarbij het feest der herkenning achterwege bleef. Onder het motto “het gaat niet om de kwantiteit maar om de kwaliteit” werd er echter voorlopig niet van de muzikale koers afgeweken. Het marcheren van de Jouster Fanfare zou nooit een succes worden, het bleef bij het wat ontspannen in de maat lopen.

 

Eind jaren tachtig ontstonden er binnen de vereniging spanningen. De muzikale doelstelling was duidelijk, de meningsverschillen gingen over de organisatie, over zeggenschap en over inzet voor de vereniging naast het musiceren. 

Leden Login

Twitter kolom